Er zijn weleens dagen waarop ik het leven, de wereld en mezelf niet leuk vind. Dagen waarop ik ineens niet meer weet of alles nog wel goed komt. Niet vaak hoor, gewoon, zo af en toe. Dat komt dan bijvoorbeeld door zomaar een tweet van Geert Wilders, over zeurpieten in het CDA of over dat hij zegt wat hij wil en dus natúúrlijk wél naar Ground Zero gaat om daar te fulmineren over een moskee (die overigens geen moskee is, maar ja, da’s veel te genuanceerd, daar doet Geert niet aan). Of omdat het zo treurig is dat het water in Pakistan uiteindelijk toch niet zo tot de verbeelding spreekt als de overstroming van het riviertje de Dinkel en het water in onze eigen kelders en caravans. Omdat er zoveel verdriet is en ellende en gedoe, overal. Of gewoon omdat de krullen in mijn haar spontaan inzakken en ik vind dat ik er niet uitzie en bovendien helemaal niks kan. Op dat soort dagen wil ik een mijn. Ja, inderdaad, een mijn. Een kleintje, die op het soort dagen waar ik het over heb gedeeltelijk instort, zoals in Chili. En als ie dan gedeeltelijk instort, dan zit ik er nog in. Maar gelukkig bereik ik, net op tijd, de Schuilruimte. En daar schuil ik dan. Het is wel even wennen hoor, zo’n Schuilruimte. Het is er namelijk bloedheet en donker. Dus trek ik her en der wat uit en maak ik het zo goed als het gaat gezellig met mijn zaklamp. Om de tijd te doden doe ik spelletjes. Van een zootje losse stenen heb ik Rummikub gemaakt en Mens Erger Je Niet, en ik ben er zelfs in geslaagd een houten karretje om te bouwen tot sjoelbak. Ik houd ook vergaderingen met mezelf en ik zing zo nu en dan een lied. Ik heb het redelijk goed, want al vrij snel is er van bovenaf een gaatje geboord, waardoor eten en drinken komt en zo nu en dan een briefje met vragen. ‘Hoe gaat het met je?’. ‘Prima’, schrijf ik dan terug. Ik zeg er natuurlijk niet bij dat ik de mijn zelf expres gedeeltelijk heb laten instorten, gewoon omdat ik alles even zo zat was dat ik geen zin meer had om naar boven te komen.
Als ik weer eens zo’n dag heb, dan hoop ik altijd dat het lang genoeg duurt voordat ze me komen halen. In elk geval tot kerstmis, zou ik zeggen. En dat, als ik dan uiteindelijk weer boven kom, blijkt dat alles goed is gekomen. Dat het toch niet doorgegaan is, met Geert. Dat iedereen net op tijd tot het besef kwam dat het een onzalig idee was, zo’n kabinet met steun van gevaarlijk boze angsthazen. Dat de bestuurders van al die Nederlandse beursgenoteerde bedrijven met enorme winstcijfers hun bonus aan Pakistan hebben gegeven. Dat het is opgelost, al dat verdriet en die ellende en dat gedoe. En dat ik zelf ook weer lekker in mijn velletje zit, mede dankzij een dieet van 1000 calorieën per dag, want veel meer krijg je niet door zo’n boorgaatje geperst. Ach. Het gaat me natuurlijk nooit lukken, zo’n mijn-vlucht. Ik idealiseer het waarschijnlijk ook allemaal veel te veel. Het is vast geen doen, in zo'n mijn. En ik zou iedereen van wie ik houd vreselijk missen, net als die mannen daar in Chili met hun lieve briefjes en videoboodschappen. Dus modder ik maar wat aan, hierboven. En mijmer ik af en toe over mijn mijn…
zaterdag 28 augustus 2010
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Lieve Car,
BeantwoordenVerwijderenWat schrijf je toch prachtig, to the point, ontroerend. Ik lees met veel plezier elk stuk! En herkenbaar...
Liefs, Karin
Geloof me, een mijn is niet waar je wilt zijn! en f..k Chuckie Wilders, gewoon intunen op de mensen die energie geven!
BeantwoordenVerwijderenCiauo, Franca