dinsdag 18 oktober 2011

Freeze

Er komt niets meer bij. Geen anekdotes. Geen mooie dingen, niets liefs of hilarisch. Geen ontdekkingen of verrassingen, en ook geen ergernissen, ongerustheden, groot of klein verdriet. Geen enkel smetje meer op welk blazoen dan ook. Er hoeft niets meer onder het tapijt. Geen rimpeling of oneffenheid. Geen overtogen woord. Geen onduidelijkheid of agitatie. Geen ingeving, geen probleem, geen oplossing, niets gewoons, niets uitzonderlijks, niets nieuws en niets meer van hetzelfde. Geen smsjes of ingesproken boodschappen op mijn antwoordapparaat. Ik hoef nooit meer uit te leggen hoe je een contactpersoon op Skype toevoegt of hoe je de instellingen van je mobiele telefoon kunt veranderen. Evenmin discussiëren wij nog over de politiek, over familie kwesties of nieuwe auto’s. Hij schenkt me geen mooi glas wijn meer in, van dat ene huis in Frankrijk waar hij al jaren komt. Hij luistert niet meer naar mijn verhalen, stuurt geen mailtjes meer. Ik zie hem niet meer struikelen over zijn eigen voeten. Of zijn jasje uitdoen omdat het zo warm is. Of trommelen met zijn vingers op de leuning van de stoel. Dit is het. Freeze. Er komt geen nieuwe stand van zaken. In de afgelopen dagen heb ik me afgevraagd wat ik het ergste vind. Misschien is dit het wel. Dat er niets meer bij komt. Ja, ik weet het, soms hoor je dat dat ook iets fijns heeft. Als er niets meer bij komt kan het ook niet minder worden allemaal, zeggen ze dan, de mensen. Lees Arthur Japin maar, die heeft er een goed gedicht over. Ik ken dat gedicht. Ik vind het zelfs mooi. En het zou kunnen dat er iets van troost in zit. Ooit. Blabla. Oprotten met je troost. Ik mis je, pap. Veel.

woensdag 31 augustus 2011

Whitney Houston

Zomaar een donderdagmiddag in een overdekt winkelcentrum in een middelgrote provinciestad. Wat zie je dan?
Vlak voor de ingang van het winkelcentrum rijdt een gezette mevrouw in een scootmobiel, met aan het stuur een mandje waar een stuk of twaalf knuffelbeesten aan vast gemaakt zijn. De mevrouw zelf draagt een bril, lichtroze met stras-steentjes.
Bij de ingang is ook een snackbar die Het Trefpunt heet. Een meisje van een jaar of tien koopt er een Cornetto. Chocolade met nootjes. Een groepje scholieren staat hard te lachen en roept een paar keer achter elkaar: ‘boeien!’.
Tegenover Het Trefpunt staat een viskraam. Een man bestelt er een haring. Hij draagt een korte broek en badslippers. De lucht is grijs en het waait hard. De luifel van de viskraam is aan één kant losgeraakt en hangt nu scheef.
De eerste winkel links is de Gall & Gall. Er is niemand, behalve de slijter zelf. Hij staat bij een schap met rosé en zet de flessen recht. Hij neuriet mee met de winkelcentrum-muziek. Didn't we almost have it all, Whitney Houston.
Ik zie een jongen met zijn vriendin. Hij is heel mager. Hij pakt haar vast. Zij heeft vlak boven haar bil een tattoo in de vorm van een draakje. Ik kan dat draakje heel goed zien want haar shirtje kruipt op, ook al trekt ze het steeds naar beneden.
Twee oudere dames doen samen boodschappen. Ze praten over ovenschalen. Die kun je sparen bij de supermarkt, maar zij hoeven dat niet. ‘Meid, ik heb al zoveel ovenschalen, ik zou niet weten wat ik er mee moet!’. ‘Ik vind het sowieso niks’. ‘Wat niet? Ovenschalen?’ ‘Nee, sparen. Voor al die dingen die ze steeds hebben, bedoel ik. Voetbalplaatjes en zo’. ‘O, dat. Nee, dat vind ik ook niks’. ‘Mijn buurvrouw wel, die spaart voor alles. Nou dus weer voor die schalen. Maar ik niet. Ik heb er niks mee, met sparen’. ‘Nee. Ik ook niet. Ja, kortingsbonnen, dat wel. Die spaar ik wel’. ‘Ja, ik ook, maar die hebben ze hier niet. Hier hebben ze ovenschalen’. ‘Ja. Maar daar doe ik niks mee hoor. Je kunt veel beter wokken’.
Achter de kassa van de supermarkt zit een opgewekt meisje. Volgens haar naambordje heet ze Kelly. ‘Een dag niet gelachen is een dag niet geleefd’, zegt Kelly. De klanten zijn het met haar eens. En de reuze mergpijp is in de aanbieding.

zondag 21 augustus 2011

Stuk

Een goede vriendin van mij is ziek. Deze week vraagt ze mij of ik met haar mee wil naar het ziekenhuis. Er is een uitslag van een test, en de specialist gaat haar die vertellen. Ze is er zenuwachtig voor. Wachten in een wachtkamer op een specialist die je een uitslag komt vertellen is erger dan de uitslag zelf, vindt ze. De stoelen zijn weliswaar lelijk en van groen plastic, maar toch best comfortabel. Er liggen verse tijdschriften. De mensen van het ziekenhuis zijn aardig. Maar dat maakt allemaal niks uit. Mijn vriendin wil dat hij nu komt, die specialist. Hij komt. Hij is sympathiek, hij lacht, hij zegt dat wij vast naar het einde van de gang kunnen lopen, naar zijn kamer. U weet nog wel waar dat is, toch? Ja, dat weet mijn vriendin nog wel. De kamer is groot, licht en leeg en redelijk prettig. Een goede plant, een mooi schilderijtje. Het jasje van het pak van de specialist hangt over zijn stoel. Het duurt even voordat hij binnen komt en achter zijn bureau gaat zitten. Het is niet goed, zegt hij, maar het kon slechter. Het nieuws waar hij mee komt is 1 centimeter groot. Hij laat het ons zien op het scherm van zijn computer. Mijn vriendin en ik stellen hem vragen en die beantwoordt hij vriendelijk. Ik kijk naar zijn schoenen, Italiaans, prachtig roodbruin leer. Ik kijk naar mijn vriendin. Haar ogen zijn groot, haar armen dun. Ze krijgt pillen en moet vervolgafspraken maken. Hij wil haar alles op papier meegeven, maar de printer weigert. Dat los ik even op, zegt de specialist. We lopen alvast terug naar de wachtkamer, gaan daar nog even zitten. Na een minuut of tien verschijnt de specialist weer, lichte grijns op zijn gezicht. Met een beetje geluk zijn die apparaten meestal wel weer te fixen, zegt hij. We krijgen papieren en pillen en dan kunnen we weg. Als mijn vriendin opstaat en de specialist bedankt, lacht ze. Maar alleen met haar mond. De volgende dag is het pas echt goed tot haar doorgedrongen, vertelt ze aan mij en mijn lief. We hebben wat boodschappen voor haar gedaan. Mijn lief repareert haar printer. Toeval of niet, die was ook stuk. Maar met een beetje geluk zijn die apparaten meestal wel weer te fixen.

zaterdag 20 augustus 2011

Kunstmest

Ik had dit stukje al eerder willen schrijven, maar tussen plan en uitvoering staat vaak van alles in de weg: boodschappen, telefoontjes, de krant, vrienden, dingen waar ik geld mee verdien, verjaardagen waar ik niet omheen kan en dan moet ook de poes nog ingeënt, de stofzuiger gerepareerd en de auto naar de garage. En ik wil nog in bad. Zo gaat dat. Dat wil zeggen, zo gaat dat bij mij. Er zijn ook mensen bij wie dat anders gaat. Die maken een plan, en voeren dat vervolgens minutieus en tot op het laatste detail uit. En ze laten zich door niets of niemand afleiden. Dat dat ook gevaarlijk kan zijn, bewees Anders Breyvik met zijn kunstmestbom in Oslo en een handvol geweren op Utoya. Even een paar kleine stappen terug in de tijd. Toen Geert Wilders in de finale van het hilarische spelprogramma ‘Ik hou van Moskowitz’ werd vrijgesproken van haat zaaien, twitterde hij heel blij en met hoofdletters: ‘VRIJGESPROKEN!’ De volgende dag, waarschijnlijk nog licht in het hoofd van een nacht overwinningsslempen met Bram, kakelde hij met veel branie over de grondwet. Daar kon best een artikeltje uit. Hoezo was haat zaaien überhaupt strafbaar? Da’s een schande voor het vrije woord! Schrappen dat artikel! Hij zei er nog bij dat het artikel over aanzetten tot geweld wat hem betreft mocht blijven. Geweld is immers iets anders dan haat. Dat vond ik fideel. En terecht natuurlijk. Ik zeg: als we toch aan de gang gaan met die grondwet, laten we dan gelijk ook even onze verkeersregels onder de loep nemen. Hoezo mag je niet harder dan 50 in de bebouwde kom? Belachelijk! Een schandelijke, en vooral linkse-geitenwollensokken- milieu activistische-veganistische inperking van onze vrijheid van handelen! Net als die regels over drank in het verkeer. Dat is je reinste islamisering!! Ze proberen gewoon de sharia in te voeren, via Veilig Verkeer Nederland godbetert! Allemaal afschaffen, die fucking regels. We trekken de grens bij aanzetten tot aanrijdingen en ongelukken. Dat is heel wat anders dan met je bezopen kop 120 km per uur over een woonerf scheuren, namelijk. Tot zover het doorredeneren volgens de ijzeren logica van onze enige echte premier. Anders Breyvik is fan van hem, zo weten wij uit zijn manifest. Geert zelf vindt dat natuurlijk apert vreselijk en wil in de verste verte niet met deze eenzame gek worden geassocieerd. Nee. Maar ik wil weten of hij misschien een heel klein ietsiepietsie beetje heeft wakker gelegen in de nacht na het drama in Noorwegen. Of hij zich nog eens achter de oren heeft gekrabd over zijn eigen stupide uitspraken. In het manifest wordt volop haat gezaaid, had hij niet zelf gezegd dat dat gewoon moet kunnen? En zou hij zich dan hebben gerealiseerd dat er, in een wereld waar je onbelemmerd door de bebouwde kom mag racen, vroeg of laat een gek komt die expres extra gas geeft en een klas kinderen omver rijdt? Ik vrees van niet. Geert heeft waarschijnlijk zijn blonde haar in zijn oren gestopt en is gaan pitten. Maar met zijn getwitterde oneliners is het precies zoals met kunstmest. Er hangt een nare, onaangename lucht omheen en in combinatie met een explosieve geest kunnen ze levensgevaarlijk zijn. U dient zich te bezinnen, enige echte premier.

Debet

Nou trekken de Finnen ze ook nog het vel over de oren. OK, OK, ze hebben er ook een zootje van gemaakt, maar jeetje. Lesbos en Zakinthos als onderpand, is dat nou echt nodig? Onze regering vond het eerst eigenlijk ook niet kunnen, maar toen zei onze echte premier (die met dat rare haar): wacht eens even, als die Finnen dat voor zichzelf kunnen regelen, kunnen wij dan ook niet...? Wij moeten er toch minstens de Acropolis uit kunnen slepen, of een paar Metaxa fabrieken, of de rechten op het volledige oeuvre van Nana Mouskouri en Demis Rousos? Jan-Kees, op het vliegtuig, en onderhandelen jij! Als ik de Grieken was, zou ik er zo langzamerhand wel klaar mee zijn. Alsof wij de enigen zijn zeg! Moet je die Amerikanen zien! Die lenen toch ook bakken met geld? En moeten ze dan straks het Vrijheidsbeeld inleveren? Of de Grand Canyon? Als ik de Grieken was, zou ik gewoon rekeningen gaan sturen. Nu direct. Voor alles wat die zogenaamd ordentelijke euro-landen al duizenden jaren van ons lenen. Gratis. Nee, ik heb het niet over geld. Ik heb het over woorden. Woorden ja. Mits goed gebruikt en vaak genoeg herhaald, kun je met woorden minstens zoveel bereiken als met geld. Onze echte premier, die met dat haar, weet daar alles van. Woorden hebben impact, en dus waarde. Chaos. Europa. Economie. Tragedie. Democratie. Komedie. Hyper. Crisis. Astronomisch. Politiek. Wat dachten jullie ervan, Europese leiders? Die woorden zijn allemaal Grieks! Van ons dus! Jullie gebruiken ze, en hup, daar gaan de geldmarkt en de beurzen! Moet je kijken wat je er allemaal mee kan, met die woorden van ons. En ook met die van de voorvaderen van de Italianen, overigens. Debet. Credit. Ratio. Mondiale toestanden (toestanden is overigens denk ik gewoon Nederlands). En we hebben er nooit een cent voor gevraagd. Aan niemand. Ook niet aan de Finnen. Dat gaat dus nu veranderen. Ik zeg, duizend euro voor elke keer dat er een woord van ons wordt gebruikt. Met terugwerkende kracht. En dan zijn we nog schappelijk. Stelletje profiteurs. Dat is Latijn, trouwens.

40-30

Het jongetje heet Boris. Hij is blond en spichtig en een jaar of zes. Samen met zijn vader en moeder woont hij deze week naast ons. We zitten ergens onder Arezzo in een agriturismo: een roestkleurige boerderij, verdeeld in kleine appartementjes, met een oprijlaantje met cipressen en een erf met heerlijk knersend grind en grote terracotta potten met oleander en zwaluwen die ’s ochtends vroeg water komen snoepen uit het zwembad. De vader van Boris is een late veertiger. Hij heeft een late veertigers-buik en laat veertigers haar: kalend van voren, en alles wat er nog is naar achteren gekamd, hip lang in de nek. Zijn moeder schat ik een stuk jonger, ergens begin dertig. Zij is heel lang en heel dun en heel blond. Dat het jongetje Boris heet, weet ik omdat zijn naam veelvuldig wordt genoemd, vooral in combinatie met het woord ‘nee’, of een variatie daar op. Nee, Boris. Boris, nee! Boris, niet doen. Nu even luisteren, Boris. Wat heeft mama nu net gezegd Boris? Papa is nu even met zijn telefoon bezig. Papa moet even facebooken, Boris. Boris, Boris. Kijk mama eens aan, Boris. Dat hebben we niet afgesproken, Boris! Jij zou nu even heel lief gaan spelen! Als we bij het zwembad zitten, is Boris daar ook. Hij zet een boot van lego in elkaar. Hij zwemt niet. Dat wil hij wel, maar dan het liefst met papa. Maar die wil niet. Papa leest een boek, Boris. Of hij praat met mama, over dat boek bijvoorbeeld. Ik vind het toch wel een verdomd goed verhaal hoor, zegt hij. O ja, schatje?, zegt zij. Ja, weet je, de oprechtheid van die vent, en wat ie dan schrijft over echt commitment tonen he, naar zo’n bedrijf toe. Klasse, vind ik dat. Boris wil weten hoe het boek heet. Maar papa en mama zijn nu even aan het praten, Boris. Ga maar zwemmen. Daar liggen je bandjes. Maar ik wil met jullie zwemmen. Nee Boris, wij zijn nu even bezig. Ben je nou een grote jongen of niet? Boris denkt even na en lacht dan een beetje. Kijk jongens, zien jullie mij? Zien jullie hoe ik lach? (dat zegt hij echt). En nou is het afgelopen Boris! Ik weet het, het is niet eerlijk. Als je van een afstandje kijkt naar een gemiddeld gezin op vakantie, dan valt er altijd wel wat te tenenkrommen. Maar dit...ik weet niet. Ik hoor ‘Boris, nee!’, en ik denk dingen als ‘tweede leg’, en dat zij toen hij eindelijk was gescheiden met alle geweld een kind wou, dat hij haar dat toen grootmoedig heeft gegeven, en dat ze nou allebei eigenlijk niet precies weten wat ze er de hele tijd mee aan moeten, wat een gedoe zeg, zo’n kind, je kunt godsamme niet eens even rustig facebooken. Maar ja. Dat zijn natuurlijk allemaal aannames mijnerzijds. Doe even normaal, spreek ik mezelf vermanend toe, zittend op het bankje voor ons appartement, nippend aan een cappuccino. Vanaf dat bankje hebben wij zicht op de tennisbaan. En vandaag willen papa en mama tennissen. We horen het geplop van ballen tegen rackets en we zien Boris op zijn knietjes onder de umpire stoel zitten. Kijk Boris, knap he! Vlak over het net! Boris vraagt wanneer ze klaar zijn. Dat duurt nog wel even. Het is 40-30 in de eerste game van de allereerste set. Papa serveert.

donderdag 14 juli 2011

Een taart of een stammetje

Bij ons in de buurt zit de firma De Kroon, een buurtsuper van het allermooiste soort. Opgericht door de oude meneer De Kroon in 1958. Dat jaartal staat op ieder bonnetje, direct onder het logo met een kroon en twee vlaggen. Inmiddels heeft de jonge De Kroon de zaak overgenomen. Buiten, bij de deur, hangen twee grote portretfoto’s achter glas. De ene zwart wit: De Kroon senior als jongeman, met vrouw en kind, poserend voor een schap met zuivel. De andere bijna identiek, maar dan in kleur: zijn zoon, ook met vrouw en kind, voor hetzelfde schap. Bij De Kroon zijn geen karretjes waar 50 cent in moet, of een eigen supermarktmunt die je bij het Servicepunt kunt krijgen. Er is geen Servicepunt bij De Kroon. En er zijn ook bijna geen karretjes, behalve een paar hele krakkemige exemplaren die eigenlijk nooit door iemand worden gebruikt. Bij De Kroon pak je gewoon een mandje. Dat mandje is niet van plastic, maar van metaal, met een verweerd stukje rood plastic om het handvat. Daar loop je dan mee door het ene winkelpaadje dat de buurtsuper rijk is, en dat na vier bochtjes via de koeling en de vleeswaren weer bij de kassa uitkomt. Eén kassa is er, met een zelfgeschilderd houten balkje wat je achter je boodschappen kunt leggen om de grens tussen jou en de volgende klant te markeren. Bij De Kroon hoef je je groenten en fruit niet zelf te wegen en in een zakje te doen. Als je sla en courgettes wilt, dan komt er iemand en die pakt ze voor je, doet er een prijsje op en vraagt dan: ‘anders nog iets voor u?’. Op de bonnetjes van De Kroon staat, behalve dat jaartal, elke dag een nieuwe spreuk of hartenkreet, vaak iets stichtelijks of een verwijzing naar de actualiteit. ‘Waar je teveel van hebt kun je best wat van missen’. Of: ‘van ons mag Maxima minimaal koningin worden!’. Ik weet niet wie ze verzint, misschien wel de oude meneer De Kroon en zijn vrouw, gezellig aan de keukentafel, in het woonhuis naast de winkel. Bij De Kroon kun je geen dierenplaatjes sparen. Er is ook nooit een voetbalactie of iets met smurfen, sprookjesfiguren of Pokémon kaarten. Maar De Kroon heeft wel degelijk acties. Een paar jaar geleden bijvoorbeeld, toen ze hun vijftigste verjaardag vierden. Toen kon je als klant een gratis feesttaart afhalen, waarbij er keuze was tussen een stammetje voor vijf personen of een grote taart. Ze noteerden je naam in een boekje bij de kassa, en in de feestweek lag je traktatie klaar bij de groenten. De firma De Kroon had een uitbundige toren gebouwd van komkommers, tomaten en prei, en daar lagen ze omheen, de taarten en de stammetjes. Als je wilde kon je ook naar de dankdienst in de kerk en dan na afloop een Utrechtse sprits eten. De Kroon is weergaloos. De Kroon moet blijven. Niet dat ze weggaan, maar ik zie de bui toch hangen, vroeg of laat. Afblijven, mega-retailers, projectontwikkelaars, schaalvergroters! De Kroon is van ons. Waar je te weinig van hebt, daar kun je niets van missen. Zeg ik altijd maar.

woensdag 13 juli 2011

Geen petje

Ik word altijd erg blij van Mannetjes. Goeie Mannetjes, wel te verstaan. Mannetjes die je raamkozijnen repareren met een ouderwets vakmanschap en voor een redelijke prijs. Mannetjes die beloven je badkamer op te knappen en dan ook echt komen. Op tijd. Mannetjes die vinden dat je dat ene dingetje daar zo, nee dáár, kijk, ziet u, dat je dat toch echt even netjes weg moet werken. Anders is het jammer. Ook buiten het kluswezen heb je Mannetjes. Die fixen dan bijvoorbeeld kapotte tosti-ijzers. Of ze trimmen honden, korten broeken in of runnen al drie generaties lang een ieniemini supermarktje. In mijn buurt zijn er veel van dat soort Mannetjes. Mijn lievelingsmannetje repareert schoenen. Hij is zó goed, dat wij hem thuis 'De Held' noemen. Daar zijn drie redenen voor. Ten eerste: hij is een ware virtuoos. Ingewikkelde design pumps met geknakte hakken? Swedish Hasbeens met houtrot? Ga naar De Held en hij kan er nog wat mee. Zonder er al te veel woorden aan vuil te maken neemt hij je schoeisel in ontvangst en herstelt het voor een euro of 7. Als je het weer komt halen zit het in een witte papieren zak met je naam erop. En dan kan de Held ook nog naambordjes voor je maken, je kleren stomen en je adviseren inzake muurverf, behangplaksel en secondelijm (ooit eens geprobeerd om bij de Praxis iemand te vinden die dat ook allemaal kan en niet al met drie andere klanten bezig is?) Ten tweede: De Held is cool. Ziet er uit als een viking, met een tattoo waarvan je net een randje onder het mouwtje van zijn T-shirt uit ziet komen en woest haar tot op zijn schouders. Draagt ruige werkbroeken met precies de goede riem, en een bruine leren schort met vakjes voor scharen en andere handige dingen voor als je schoenen repareert. Heeft gespierde armen en mooie billen waar je vaak royaal zicht op hebt, want De Held staat meestal met zijn gespierde rug naar de toonbank toe aan zijn werkbank te klooien met schoenen. Hij kan dus zo in de Linda, in het themanummer ‘Hitsig' of 'Hunkeren'. Maar dat hoeft hij niet. Niet dat ik het hem ooit heb gevraagd hoor, maar sommige dingen weet je gewoon. Want, ten derde, De Held is totaal niet bezig met Held-zijn. Hij heeft bijvoorbeeld een diadeem in zijn haar, om te voorkomen dat het in de weg hangt tijdens het schoenen repareren. Geen cool haarbandje of een petje heel hip achterstevoren op zijn hoofd, maar gewoon een tuttig suf diadeem van de Etos. Ik vind dat prettig. Hij heeft ook een beugel. Zo eentje met slotjes. Als je dan schoenen komt brengen en hij lacht vriendelijk naar je, dan zie je die slotjes soms een beetje blinken in het zonlicht dat naar binnen valt. Fijn. Gisteren liep ik weer even bij ‘m binnen om een sleutel te laten namaken (De Held kan alles). Het was druk, zei hij, mensen komen allemaal op het laatste moment, vlak voor de vakantie. ‘En dan zeggen ze dat het hun lievelingsschoenen zijn, en dat ze net, ja echt nét kapot zijn, en of het alsjeblieft even tussendoor kan. Maar ik laat me niet gek maken’. Hij keek me even aan en lachte. Ik zag een rij perfect rechte tanden zonder slotjes. Toch zonde, dacht ik.

zondag 8 mei 2011

Berlusconi

Het was me er eentje, die Zeus. Op vakantie in Griekenland kom ik hem vaak tegen: in gidsjes voor de toeristen, als standbeeld, op ansichten, aan sleutelhangers en zelfs op menukaarten (‘broodje Zeus met geitenkaas en honing’). Maar weer eens even de mythologische basiskennis opgefrist. Zeus. Of Jupiter, zoals de Romeinen ‘m noemden. Zoon van Ouranos, een heuse Titaan. CEO van zijn eigen imperium op de Olympos. Hoeder van het gezin en van de natuur, heel handig met mist en nevelen en bliksem. Straf heerser over zijn eigen wereldorde. Je moest het niet wagen om hem te tarten, dan kon je ‘m krijgen. Sla de Griekse mythologie er maar op na: het wemelt er van de ongelukkige types die probeerden Zeus voor gek te zetten. Moest je dus niet flikken. Stuurde ie een van z’n godenvriendjes op je af, die jou dan veranderde in een steen of in een vijgenboom of iets anders onherroepelijks. Zo doen ze dat, de straffe heersers van hun eigen wereldorde. Maar Zeus was ook - en misschien wel vooral - een enorme schuinsmarcheerder. Deze hoeder van het gezin rotzooide wat af in zijn tijd, met nimfen, verleidelijke sub-godinnen en argeloze mensenmeisjes van 16 jaar of jonger. Het leidde tot massa’s bastaard kinderen en een permanent furieuze echtgenote. Maakte Zeus geen bal uit, hij ging gewoon zijn goddelijke gang. Veranderde zichzelf zelfs in een stier om Europa te verschalken (Europa was zo’n argeloos mensenmeisje). Maar ja. De mensen bleven dol op hem. Of misschien zagen ze wel geen alternatief (‘ja, het is wel altijd wat met die Zeus en onze dochters zijn niet veilig, maar wat moeten we anders? Zie jij het zitten met die wazige Apollo of die zure Hera? Nou dan’). Namen ze hem dan nooit de maat? Nee. Of nauwelijks. Want voor Zeus golden nou eenmaal andere regels dan voor gewone stervelingen. En trouwens, Zeus had zelf een flinke vinger in de pap bij de beeldvorming rondom zijn hemelse persoonlijkheid. De muzen waren namelijk zijn dochters. Alle negen buitenechtelijk verwekt, uiteraard. Voor de duidelijkheid: de muzen zijn godinnen van de schone kunsten. Er ging dus geen epos, tragedie of lyrisch gedicht de deur uit of Zeus had het gescreend. Als je erover nadenkt was het een behoorlijk obsessief mannetje, deze oppergod. Eigenlijk ongelooflijk dat hij niet van de Olympos is geflikkerd door de rest van die godenbende. Maar goed, het zijn mythen. En het is ook allemaal heel lang geleden. Vandaag de dag zou je met dat zeuzige gedrag natuurlijk nooit weg komen.

dinsdag 3 mei 2011

Harde g

Stel. Het is oorlog in Limburg. Al een hele tijd. Tussen de bokken en de geiten. Wat ooit begon als een lullige concurrentiestrijd tussen lokale fanfarekorpsen, met de traditionele escalatie rondom Koninginnendag, is uitgegroeid tot een ernstig regionaal conflict, waarin radicale middelen (vergif in de vlaai, bommen op de raad van elf) niet worden geschuwd. Chantal schrijft een brief. “Lieve meneer Leers. Dank u wel dat ik mag blijven. Dat vind ik echt heel fijn, ik wilde absoluut niet terug. Het is daar niet veilig. Maar volgens mij weet u dat zelf al lang, want eerst wilde u naar een vakantiehuis in Bulgarije en nu zit u in Den Haag. Het is daar vast heel leuk, met al die andere mensen uit Limburg. U heeft groot gelijk hoor. Ik vind het hier in Capelle aan de Ijssel ook veel leuker. Ik heb hier super veel vriendinnen en ik zit op hockey en ik ben mijn zachte g kwijt, dus dat zou helemaal niks meer worden. Maar dat zei u zelf ook al. Alleen jammer dat mijn broertje Jeffrey wél terug moet. Ik wilde u eigenlijk vragen waarom dat is. Misschien wist u niet dat ze daar willen dat hij mee gaat doen met vlaaien gooien en bokken schieten? Daar heeft hij totaal geen zin in, want hij zit hier op judo en hij is ook zijn zachte g kwijt en volgens mij is hij op Samira (hij zegt van niet, maar ik denk van wel want ik zag ze laatst zoenen op het bankje achter de gymzaal). Gisteren moest mijn moeder huilen, vanwege Jeffrey dus, en toen werd mijn vader kwaad. Niet op haar, maar op u. Hij zei dat u zich moest schamen en dat u daar maar laf in Den Haag zit te zitten en toen sloeg hij heel hard met zijn vuist op tafel. Maar toen zei mijn moeder dat hij zich rustig moest houden en dat wij zo niet doen, dat wij beschaafde mensen zijn en dat u dat ook heel belangrijk vindt. Dat je beschaafd blijft. Ik ben het met u eens, dat is ook heel belangrijk. Daarom wilde ik u even netjes bedanken en vragen of u zich misschien vergist heeft, met Jeffrey. Ik hoop dat u mij terug schrijft, maar dat doet u vast wel. Tenminste, als mijn moeder gelijk heeft. Groetjes, Chantal”.

donderdag 21 april 2011

Plu

Drie keurige Engelse dames in Amsterdam. Ze klampen mij aan. Waar het Leidseplein is, willen ze weten. Ik, geboren in Eindhoven, wonend in Utrecht, hier ook maar op bezoek en qua richtingsgevoel een ware kluns, stuur ze op de gok een kant op. Waarschijnlijk de verkeerde. Aan mij heb je weinig als toerist in Amsterdam. Nee, dan de kordate gids die ik even later tegen het lijf loop. Een gezette dame met rode blossen, een licht zwetend voorhoofd en een degelijk jack. Boven haar zonneklep houdt ze een dichte paraplu met een vlaggetje eraan. Aan haar heb je wél wat, dat zie je zo. Kwiek struint ze over de Herengracht, een grote groep toeristen puffend achter haar aan. De meesten van hen zijn moe en lijken een beetje ongelukkig. Als ik even later op een terras zit, meert er vlak voor me een bootje aan met een groepje vrouwen erin. Eén van hen heeft een toef van witte tule op haar hoofd en een ketting van komkommers om haar nek. De rest is overwegend jolig en schreeuwerig (‘hee Marjet! Volgens mijn broer heb jij de allermooiste borsten ter wereld!’), maar een enkeling zit er wat verloren bij, afwezig nippend aan een onvermijdelijke prosecco. Ik herinner me het bericht van een paar weken geleden, over die twee meisjes die vermist raakten tijdens een schoolreisje naar Parijs. Toen ze weer terecht waren zeiden ze dat ze per ongeluk verdwaald waren. Maar dat was natuurlijk helemaal niet waar. Ze hadden gewoon geen zin meer. De hele tijd achter de juf aan sjokken en doen alsof je het leuk vindt, dat geblaat van je puberale klasgenoten. Ze zijn ‘m natuurlijk gewoon gepeerd, die meisjes. Zoek het allemaal maar uit, wij gaan lekker verdwalen. Ik kijk naar de verloren ogende prosecco drinksters en denk aan de uitgebluste toeristen. Wat zou er nu in ze omgaan? ‘Ach, Marjet is een goede vriendin en zij was tenslotte ook op mijn vrijgezellenparty’. ‘Ach, je wilt toch wat meepikken van zo’n stad, en trouwens, het is hier eng met al die drugs en zij met die plu heeft de lunchbonnen…’. Het bootje vaart weer weg, de groep met gids is al lang uit het zicht verdwenen. De drie keurige Engelse dames zwerven vast nog rond, ergens heel ver weg van het Leidseplein. Hopeloos verdwaald, dankzij mij. You’re welcome, ladies.

vrijdag 25 maart 2011

Bekentenissen (deel 1)

Ik….
Was ooit verliefd op Barba Streisand. En op Gabriela Sabatini. En op juf Trix.
Ben niet goed in het snuiten van mijn neus.
Vind blote tenen over het algemeen heel vreemd en ook beetje eng (behalve die van mijzelf en die van mijn lief).
Ben allergisch voor Sven Kokkelman. En voor Tijs van den Brink. Sorry. Het is niet persoonlijk. Of nou, eigenlijk wel.
Krijg jeuk als iemand heel zachtjes en begripvol en empathisch tegen me praat. Vooral tussen mijn schouderbladen.
Kan geen ballonnen opblazen (faalde ooit jammerlijk voor een blaastest).
Moet lachen om systemisch werken met paarden.
Heb Barbapappa altijd tuttig en stom gevonden (ook als kind al). Dat gedoe met dat je alles kunt worden wat je wilt. Ga toch weg.
Vind clowns eng en hinderlijk (ook als kind al).
Zou minder foute vis moeten eten. En minder vlees. Vind dat nog best moeilijk.
Schiet soms (vaak) ineens vol als ik een bejaarde mevrouw heel breekbaar zie scharrelen achter een rollator met een handtas eraan. Schiet sowieso snel vol. En dan lukt het me dus niet om efficiënt mijn neus te snuiten.
Vind het nog steeds niet te geloven dat Sinterklaas niet bestaat. Volgens mij is dat een leugen.
Kan niet breien.
Ben relatief vaak bezig met de vraag: ‘zit mijn haar een beetje netjes?’ (en dat zit het dan nooit).
Mijd de tandarts. En de dokter. En Sven Kokkelman en Tijs van den Brink.
Zou al lang aan een sterkere leesbril moeten, maar heb daar geen zin in. Koop in plaats daarvan wegwerp brillen bij de Etos. Mijd dus ook de opticien.
Raak hele dure spullen vaak kwijt (ringen, kettingen, vulpennen, horloges, BH’s). Dat van die wegwerpbrillen bij de Etos is dus zo gek nog niet.
Zou heel graag een kras zetten op een van die dikke SUV’s die vaak op vrijdagmiddag ongegeneerd op de stoep worden geplempt door hun baasjes, als die een borrel gaan pakken bij de kroeg in mijn straat. Maar ben daar te netjes voor. En bovendien te schijterig.
Bemoei mij als bijrijder overal mee. Dat wil zeggen, als ik bij mijn liefje in de auto zit. Anders niet. Terwijl zij prima rijdt, mijn liefje.
Zou nog veel meer kunnen bekennen, maar vind het voorlopig wel even genoeg zo. Wat zeg je, Sven? Ja zeg, mag een mens alsjeblieft ook nog wat voor zichzelf houden???

vrijdag 18 maart 2011

(Ta)bak(van)fiets

De bakfiets. Je kent ‘m wel. Bereden door hippe moeders met leuke laarzen en King Louie jurken, of door hippe vaders met half lang haar en een papa-dag. Twee hippe blonde kinderen in de bak, boodschappen d’r bij en soms nog een los kind op de fiets ernaast. Ook in mijn stad wemelt het ervan. Ze zijn breed, ze blokkeren feitelijk het hele fietspad. Eigenlijk erger ik me rot aan die krengen. Ze zijn ook reteduur. Maar ja. Je moet wat, als gemiddeld hoog opgeleid tweeverdienend gezin in een betere buurt van een moderne stad. Ik heb zelf nog nooit op een bakfiets gereden. Me wel vaak afgevraagd of dat nou een beetje lekker fietst. Je zou denken van wel, want de gemiddelde hippe moeder of vader zit zeer zelfbewust op zo’n ding. Maar gisteren ontdekte ik de andere kant van het bakfiets-wezen. Het kwam namelijk bijna tot een botsing. Tussen mij en een jongen. Een jongen op een bakfiets. Ja, een jongen. Geen hippe moeder of vader dus. Hij kwam een bocht om zwieren en reed mij zowat omver. ‘O jeetje, sorry’, zei hij. ‘Ja, het is ook zo’n gedoe, zo’n bakfiets. Ik vind het helemaal niks’. Ik vroeg hem wat het gedoe dan precies was en hij zei: ‘nou, gewoon alles’. Na enig doorvragen bleek dat de jongen vond dat ie zwieberde en veel te zwaar was en veel te lomp en te groot. 'Ik kan er niet mee omgaan, het is niet te doen'. Tja. Daar hoor je dus nooit iemand over. Ja, een enkele keer zie je wel eens een zwetende moeder met vet haar, zwoegend tegen de wind in, maar meestal is het van: 'o, zo ideaal..echt, meid, ik zou niet meer anders willen'. De bakfiets is de nieuwe BMW, de buren hebben ‘m ook en hij staat zelfs in het Volkskrant Magazine, in het katern 'Spullen Die Je Moet Hebben'. Maar goed. Laat iedereen vooral z’n gang gaan. En het is vast ook enorm handig en zo. Toch denk ik nog wel eens aan hoe ik vroeger achterop zat bij mijn moeder. Zij had een Union. Een donkergroene. Ik hield haar stevig vast, armpjes om haar middel. Geen last van de wind, want haar rug zat ervoor. Da’s toch heel wat anders dan voor in zo’n bak, met een plastic zeiltje als het regent….daar zit je dan, als hip kind. Wel een fijn vrij uitzicht, maar die veilige rug ben je mooi kwijt.

woensdag 2 februari 2011

Flebologica

Voor de goede orde eerst even een huishoudelijke mededeling: iedereen die weet wat flebologie is kan nu direct stoppen met lezen. Voor hen is dit relaas totaal niet interessant. Voor iedereen die nu denkt: ‘huh? Flebologie?’, geldt het welgemeende advies: lees verder en laat je verrassen. Ziezo. O ja, en ik wil bij deze ook vast gezegd hebben dat je sommige dingen beter niet precies kunt weten. Maar goed. Waar het om gaat: er viel pas geleden een kaartje bij mij in de bus, dat eigenlijk bestemd was voor ene mevrouw van der Vlies. Postbode in de war. Het kaartje was afkomstig van de polikliniek voor Flebologie. Of mevrouw van der Vlies een afspraak wilde maken, zo luidde de boodschap. Voor een controle, op iets flebologisch dus. Flebologie. Ik had er nog nooit van gehoord. Er stond een webadres bij, en daar had ik natuurlijk meteen naartoe kunnen surfen. Maar ineens werd ik overvallen door een drang naar avontuur. Wat saai, gewoon opzoeken wat flebologie is. Leve de fantasie! Wat moet het heerlijk geweest zijn in de Middeleeuwen, toen het nog wemelde van de enge ziektes en onverklaarbare natuurverschijnselen waar je niks over kon googlen, maar waar je wel van alles over kon verzinnen! Dat levert pas verhalen op! En dus ging ik er even voor zitten. Flebologie…. een ziekelijke neiging tot flegmatiek borrelen? Een aandoening van het zenuwstelsel die zich met name manifesteert bij logisch denkende inwoners van de Flebopolder? Een geavanceerde methode voor het oppeppen van fletse borsten? Een flesvormige vleesboom die na verloop van tijd gemakkelijk kan worden losgeweekt van de anus, als je maar op tijd op controle gaat? En hoe moet het dan met mevrouw van der Vlies? Die heeft haar afsprakenkaartje nu gemist! Kan zij over een paar maanden nog wel fietsen? Of is het helemaal geen ziekte? Is flebologie soms de wetenschap die zich bezig houdt met het kuddegedrag van de flexibele bologige steekvlieg? Een woeste volksdanstechniek uit de vergeten Kaukasische republiek Flebologië? Of is het de filosofie van een bloedfanatiek bakkersgilde dat gespecialiseerd is in flensjes met een bolle bovenkant? Dat zou natuurlijk erg mooi zijn. Maar waarom sturen ze mevrouw van der Vlies dan een kaartje? Is het een valstrik? Zit mevrouw van der Vlies bij een rivaliserend gilde, dat zweert bij de klassieke platte flens? Willen ze haar daarom in de val lokken met zo’n laf kaartje, en haar, als ze eenmaal op de afspraak verschijnt, overgieten met flensbeslag? Of ga ik nu ietsje te ver? Hoe dan ook, het riep van alles op, flebologie. Ik had nog uren door kunnen gaan. Uiteindelijk heb ik me niet kunnen bedwingen en toch opgezocht wat het echt is. De ontnuchtering was groot en bloedstollend. Ik wil ‘m niemand aandoen. Ga dus beslist niet googlen. Blijf in je eigen flebologische universum. Is veel leuker. Toch gedaan? En? Told you so.

zaterdag 29 januari 2011

Joie de vivre

De Fransen zitten er helemaal doorheen. Ik wist van niks, ik dacht dat het daar heerlijk is, met al die fijne wijn en die kaas en die lavendel en die zon. Maar dat is dus niet zo. Ze zitten in een collectieve depressie, de Fransen. En wat nog veel erger is: ze denken niet dat het op korte termijn beter wordt. Vraag ze of ze een beetje zin hebben in het volgende decennium, en de misère is compleet…het volgende decennium? Daar moeten ze al helemaal niet aan denken! Ze verwachten dat alles, ja, dat werkelijk alles over tien jaar nog veel erger zal zijn dan nu. Oef. Deze schokkende feiten komen uit een onderzoek naar levensvreugde in een handvol Europese landen, en in Amerika. Dat onderzoek is pas gedaan door een of ander voornaam instituut waar ze heel graag wilden weten hoe het zo’n beetje staat met de mondiale blijheid. Frankrijk komt als sipste uit de bus. In Duitsland zijn ze stukken blijer en optimistischer (in Duitsland! Land van gekwelde dichters en componisten, van Weltschmerz en Zum Tode betrübt!), en in de VS ook. Hoe komt dat? Wat zit die Fransen dwars? Zijn het Les Bleus die zo ontluisterend ten onder gingen tijdens het WK Voetbal, kibbelend als een stel verwende wijven en spelend als een doorweekte krant? Is het de president die met zijn kleine-mannetjes-machismo uiteindelijk toch niet zo gek veel oplost en de mensen hun riante pensioenen afpakt? Is het de vrouw van de president, die iedereen de stuipen op het lijf jaagt met haar CD’s vol hijgende niemendalletjes? Komt het door de nieuwe wereld-wijnen, die de Franse bordeauxs en bourgognes steeds meer in een hoekje drukken? Is het die inktzwarte Michel Houellebeq met zijn treurige boeken? Komt het omdat Montignac dood is? Of omdat Brigitte Bardot nog steeds leeft? Komt het door Asterix, die al jaren niet meer is wat ie geweest is? Of is het omdat Wende Snijders geen Franse chansons meer zingt? Zeg op Fransen, c’est quoi? Ik weet dat aan Nederlandse borreltafels weleens onaardige dingen over jullie worden gezegd: ‘leuk land, dat Frankrijk, er moesten alleen geen Fransen wonen’…. Bleeh. Suffe tekst. Maar kom op, joh! Daar trekken jullie je toch zeker niks van aan? Alsof alle Nederlanders zo ontstellend leuk zijn. Ja, Ben Saunders ja, en boer Richard, maar er zijn ook heus minder leuke. Ik was het er ook nooit mee eens, heb in mijn leven al heel erg veel vrolijke Fransen ontmoet. Maar nu blijkt dat dat dus waarschijnlijk een wassen neus is geweest. Een canard, zo gezegd. Dat jullie voor mij, de onbekommerde toerist op een terrasje met platanen, nog wel je best deden. Maar je eigenlijk enorm klote voelden. Al die tijd al. Kop op Fransen! Neem een voorbeeld aan de mensen in Bangladesh en Afghanistan. Die zijn, volgens weer een ander onderzoekje, stukken blijmoediger dan jullie. Geen idee hoe dat kan, maar kennelijk is een goed humeur toch ook een kwestie van houding. Dus mon dieu! Stel je niet aan! Trek een fles Pétrus open! Amuseer je! Roep de Poppies weer bij elkaar! Sta doping toe tijdens de komende Tour de France, wat kan het allemaal schelen! En kom desnoods even kijken op mijn balkon. Daar heeft de lavendel de barre winter doorstaan, en bloeit zij lustig verder. Het leven is heus wel mooi. Courage!