zondag 7 juli 2013

Zieke boom

Binnenkort wordt er een boom geveld in onze straat. Een paardenkastanje. Hij staat tegenover ons huis, ik zie hem als ik aan mijn keukentafel zit. Het is een fijne boom. In december hangt Ton, de baas van het buurtcafé, zijn takken altijd vol met lichtjes. Gezellig. De boom is een buurtgenoot. Maar hij is ziek. De afgelopen maanden zagen we hem aftakelen en steeds kaler en fletser worden. Dus moet hij worden gekapt. Zo gaat dat. En daar krijg je dan keurig bericht over. Wij leven namelijk in een keurig land, met keurige gemeentes die keurige brieven schrijven als er iets met bomen is. Wij kregen zo'n brief in de bus, op een dag waarop het nieuws verhaalde over onrust in Egypte, bombardementen in Syrië, klokkenluiders op de vlucht en een pony platgedrukt. Sjonge, dacht ik nog, te midden van al dit leed is er dus ook altijd nog onze unieke, schattige keurigheid. Wat heerlijk eigenlijk, dat er mensen zijn die zich bezig mogen houden met het schrijven van brieven over het bomenbeleid van de gemeente en de planning van vel-werkzaamheden. 'Bomen bepalen het gezicht van uw wijk', schreef de ambtenaar - vast een toegewijde, nette man van midden veertig met een bril en een ruitjesoverhemd die vroeger eigenlijk boswachter wilde worden maar ergens een afslag heeft gemist en nu achter zijn bureau zit, koffie nippend uit een mok die hij van thuis heeft meegenomen, peinzend over de bomen-brief aan ons, buurtbewoners. 'Maar zijn ze eenmaal oud of ziek, dan hebben ze extra zorg nodig', ging hij voort. Ik vond het bijna poëtisch klinken. Volgens mij vindt hij het zelf ook erg, dacht ik. Deze man houdt van bomen. Hij vindt dat ze het gezicht van de wijk bepalen. Waarschijnlijk zou hij het liefst de hele dag door de stad fietsen om extra zorg te verlenen aan oude of zieke lijsterbessen, hardbladige elsen en zomereiken. Maar dat kan niet. Da's niet het beleid. Het beleid is dat de gemeente, 'wanneer nodig, besluit zieke of instabiele bomen te kappen. Deze bomen komen dan op de gemeentelijke vellijst te staan'. Ik zie voor me dat de ambtenaar na het intikken van deze zin even moet slikken en een mismoedige slok uit zijn eigen mok neemt. Ik ben ook uit het veld geslagen. De gemeentelijke vellijst. Die bestaat. Als je 'm aanklikt kom je terecht in een enorme opsomming van bomen waarvan de dagen geteld zijn. Een bomen-dodenlijst. Je zal er maar op staan, als zilverlinde of esdoorn, met een datum achter je naam. Brrrr. Nou ja. Ik snap dat het soms niet anders is. En ze planten ook weer nieuwe bomen, op de plek van de oude. Tot vreugde van die ambtenaar, schat ik in. Toch blijf ik droevig als ik kijk naar de boom in zijn laatste dagen. Vooral vanwege Ton, de baas van het buurtcafé. Ton was een fijne man. Maar hij was ziek. De afgelopen maanden zagen we hem aftakelen en steeds magerder en zwakker worden. Vorige week was hij nog even in zijn kroeg, met al zijn vrienden. Die zongen voor hem en maakten foto's. De volgende dag was Ton dood. Geen idee hoe dit soort dingen werkt en hoe het eigenlijk zit met lijsten en een datum achter je naam. Maar soms is het blijkbaar niet anders. En er komt een nieuwe eigenaar, op de plek van de oude. Komende week wordt de paardenkastanje gekapt. Geen lichtjes in december dit jaar. Dag zieke boom. Dag Ton.

maandag 19 maart 2012

Ik rode sjaal


We hebben een Rotterdams uitje en we blijven slapen. Bij Svetlana. Gevonden op internet. Vooraf heeft ze ons duidelijk geïnstrueerd: ‘als jij bijna bent, jij bellen, ik dan kom’. Dus als we er bijna zijn (om ons heen louter flats en wegwerkzaamheden) parkeren we in de door Svetlana aangeduide zijstraat en bellen haar. Ik vraag hoe ik haar herken en zij zegt: ‘ik rode sjaal’. Als ze kort daarna in ons blikveld verschijnt zien we behalve die sjaal een lichtblauw bomberjack met daarin een kleine, stevige vrouw van midden vijftig, met een mooi rond gezicht en een geblondeerd pagekapsel. ‘jij achterin, ik voor’, geeft ze mij te verstaan. Werktuiglijk dirigeert ze ons met een genagellakte wijsvinger naar een parkeergarage vlakbij. ‘Hier ingang parkeergarage, hier uitgang voorkant, hier lift’, zegt Svetlana. In die lift staan we dicht op elkaar. Ik zie een laag foundation, blauwe oogschaduw en veel fijne rimpeltjes. ‘Twee prinsessen, heb ik heel mooie kamer voor jullie’, zegt Svetlana. Er breekt iets door haar foundation heen, een glimlach die tegelijk een zucht is. We stappen een galerij op en lopen langs een reeks voordeuren en keukenramen. Vetplantjes, gehaakte gordijntjes, Feyenoord posters. Dan zijn we bij de flat van Svetlana. Ze gaat ons voor over hoogpolig bordeaux-rood tapijt naar de trap (we passeren een kapstok waar ik slofjes zie staan met uitbundig borduursel er op), we lopen naar boven en ze toont ons de kamer. De kamer is Sint Petersburg in al zijn bladgouden, porseleinen, zwaar eikenhouten glorie, inclusief imitatie Fabergé eieren. Het systeemplafond doet daar niks aan af. Bij Svetlana wint de glimlach het even van de zucht. ‘Jullie dansen met de jongens, plezier maken...ach ja…’. Ze laat ons alleen. Wij frissen ons op in een badkamer met bordeaux rood sanitair en lamplicht dat elke 10 seconden van kleur verandert. En dan gaan we onze nacht in. De volgende ochtend treffen we Svetlana voor het ontbijt in de keuken. Ook daar ligt bordeaux rood tapijt, en er hangt een knoeperd van een TV aan de muur. Eva Jinek vult het beeld, samen met Jan Smit en een kamerlid van de PVV. Het geluid staat keihard. Anders dan gisteren praat Svetlana honderduit. Over waar ze vandaan komt (Moskou) en over hoe lang ze al in Nederland woont (25 jaar). Over prins Friso (daar maakt ze zich grote zorgen over, zegt ze met vochtige ogen). Over haar grote liefde Johan, die ze leerde kennen in Rusland en voor wie ze naar Nederland kwam. 'Hij mooie man. Echt mooie man’. Ze laat ons oude foto’s zien. Svetlana met een jong, mooi rond gezicht en rode blossen op haar wangen, dansend met Johan. Johan op een feest. Johan in de keuken. Johan in de sauna. Toen Johan haar liet zitten voor een andere vrouw heeft Svetlana zich een jaar lang bijna te pletter gedronken. Wodka en wijn. Hele dagen lag ze op de bank te huilen, zegt ze. Maar dat is nu allemaal voorbij. 'Ik alleen en pension’. Ze frutselt wat aan haar ochtendjas met panterprint. Wij vertrekken. ‘Jullie mooie vrouwen. Jullie komen terug?’, vraagt Svetlana. Wij zeggen van ja en we bedanken haar. Zachtjes trekken we de deur achter ons dicht en lopen de galerij op. Het geluid van Eva Jinek sterft langzaam weg.

zondag 29 januari 2012

Touwtje

In de garage van mijn ouders hangen tennisballen aan een touwtje. Twee stuks om precies te zijn, voor elke auto één. De garage van mijn ouders is best groot. En in een garage die best groot is, heb je de neiging te ver door te rijden. Althans, mijn ouders hadden die neiging. In de loop ter tijd wisten zowel mijn vader als mijn moeder bij herhaling aanrijdingen te veroorzaken met hun eigen fietsen, stapels oud papier, verfblikken en de hondenmand. Totdat ze dus op het idee kwamen die twee tennisballen op te hangen. Het principe is simpel: zachtjes doorrijden tot je met je voorruit de tennisbal raakt, niet verder, dan gaat ie goed. Ik weet niet precies wie de ballen heeft bevestigd, maar ik denk mijn moeder. Iets ergens bevestigen (en wel zo dat het dan ook langdurig blijft hangen, staan of zitten) is niets voor mijn vader. Ik herinner me een spiegel op de WC, een aanzienlijke hoeveelheid schilderijen en het bagagerek op onze auto (wij noemden dat rek destijds ‘imperiaal’, en dat is tot op de dag van vandaag een gevleugeld woord in onze familie). De spiegel lag na één dag al in duizend stukken op de grond en menig schilderij maakte zich na verloop van tijd ineens spontaan los uit de muur, met medeneming van hele stukken pleisterwerk. En terwijl wij als gezin zojuist de franse grens gepasseerd waren, op weg naar een vrolijke camping in het zuiden, begon de imperiaal - met daarop drie koffers onder een oranje dekzeiltje - langzaam naar voren te schuiven, van het dak af richting de motorkap. Ik weet nog hoe mijn broer en ik vanaf de achterbank het oranje zeil tegen de ruitenwissers zagen klapperen. Je kunt een hoop van mijn vader zeggen. Maar niet dat hij, hoe zal ik het zeggen, nou ja, niet dat hij opvallend goed was in het deugdelijk bevestigen van wat dan ook. Hij worstelde overigens ook met het in elkaar schroeven of het ergens in doen van iets. Als hij zich daar toch aan waagde kon dat leiden tot onthutsende calamiteiten. Zo was er ooit iets met een kerstboom, een grote glazen pot waar die in moest en mijn vader die met een hevig bloedende duim moest worden afgevoerd naar de EHBO. Ja. Zo was dat. Inmiddels staat er nog één auto in de garage bij mijn ouders. Die van mijn moeder, netjes tegen de tennisbal aan. De andere hangt er ook nog, mijn moeder heeft hem niet weggehaald. Als ik de garagedeur open doe, trekt een zuchtje wind aan het touwtje. De tennisbal wiegt een beetje heen en weer. Eenzaam en zachtjes.

dinsdag 18 oktober 2011

Freeze

Er komt niets meer bij. Geen anekdotes. Geen mooie dingen, niets liefs of hilarisch. Geen ontdekkingen of verrassingen, en ook geen ergernissen, ongerustheden, groot of klein verdriet. Geen enkel smetje meer op welk blazoen dan ook. Er hoeft niets meer onder het tapijt. Geen rimpeling of oneffenheid. Geen overtogen woord. Geen onduidelijkheid of agitatie. Geen ingeving, geen probleem, geen oplossing, niets gewoons, niets uitzonderlijks, niets nieuws en niets meer van hetzelfde. Geen smsjes of ingesproken boodschappen op mijn antwoordapparaat. Ik hoef nooit meer uit te leggen hoe je een contactpersoon op Skype toevoegt of hoe je de instellingen van je mobiele telefoon kunt veranderen. Evenmin discussiëren wij nog over de politiek, over familie kwesties of nieuwe auto’s. Hij schenkt me geen mooi glas wijn meer in, van dat ene huis in Frankrijk waar hij al jaren komt. Hij luistert niet meer naar mijn verhalen, stuurt geen mailtjes meer. Ik zie hem niet meer struikelen over zijn eigen voeten. Of zijn jasje uitdoen omdat het zo warm is. Of trommelen met zijn vingers op de leuning van de stoel. Dit is het. Freeze. Er komt geen nieuwe stand van zaken. In de afgelopen dagen heb ik me afgevraagd wat ik het ergste vind. Misschien is dit het wel. Dat er niets meer bij komt. Ja, ik weet het, soms hoor je dat dat ook iets fijns heeft. Als er niets meer bij komt kan het ook niet minder worden allemaal, zeggen ze dan, de mensen. Lees Arthur Japin maar, die heeft er een goed gedicht over. Ik ken dat gedicht. Ik vind het zelfs mooi. En het zou kunnen dat er iets van troost in zit. Ooit. Blabla. Oprotten met je troost. Ik mis je, pap. Veel.

woensdag 31 augustus 2011

Whitney Houston

Zomaar een donderdagmiddag in een overdekt winkelcentrum in een middelgrote provinciestad. Wat zie je dan?
Vlak voor de ingang van het winkelcentrum rijdt een gezette mevrouw in een scootmobiel, met aan het stuur een mandje waar een stuk of twaalf knuffelbeesten aan vast gemaakt zijn. De mevrouw zelf draagt een bril, lichtroze met stras-steentjes.
Bij de ingang is ook een snackbar die Het Trefpunt heet. Een meisje van een jaar of tien koopt er een Cornetto. Chocolade met nootjes. Een groepje scholieren staat hard te lachen en roept een paar keer achter elkaar: ‘boeien!’.
Tegenover Het Trefpunt staat een viskraam. Een man bestelt er een haring. Hij draagt een korte broek en badslippers. De lucht is grijs en het waait hard. De luifel van de viskraam is aan één kant losgeraakt en hangt nu scheef.
De eerste winkel links is de Gall & Gall. Er is niemand, behalve de slijter zelf. Hij staat bij een schap met rosé en zet de flessen recht. Hij neuriet mee met de winkelcentrum-muziek. Didn't we almost have it all, Whitney Houston.
Ik zie een jongen met zijn vriendin. Hij is heel mager. Hij pakt haar vast. Zij heeft vlak boven haar bil een tattoo in de vorm van een draakje. Ik kan dat draakje heel goed zien want haar shirtje kruipt op, ook al trekt ze het steeds naar beneden.
Twee oudere dames doen samen boodschappen. Ze praten over ovenschalen. Die kun je sparen bij de supermarkt, maar zij hoeven dat niet. ‘Meid, ik heb al zoveel ovenschalen, ik zou niet weten wat ik er mee moet!’. ‘Ik vind het sowieso niks’. ‘Wat niet? Ovenschalen?’ ‘Nee, sparen. Voor al die dingen die ze steeds hebben, bedoel ik. Voetbalplaatjes en zo’. ‘O, dat. Nee, dat vind ik ook niks’. ‘Mijn buurvrouw wel, die spaart voor alles. Nou dus weer voor die schalen. Maar ik niet. Ik heb er niks mee, met sparen’. ‘Nee. Ik ook niet. Ja, kortingsbonnen, dat wel. Die spaar ik wel’. ‘Ja, ik ook, maar die hebben ze hier niet. Hier hebben ze ovenschalen’. ‘Ja. Maar daar doe ik niks mee hoor. Je kunt veel beter wokken’.
Achter de kassa van de supermarkt zit een opgewekt meisje. Volgens haar naambordje heet ze Kelly. ‘Een dag niet gelachen is een dag niet geleefd’, zegt Kelly. De klanten zijn het met haar eens. En de reuze mergpijp is in de aanbieding.

zondag 21 augustus 2011

Stuk

Een goede vriendin van mij is ziek. Deze week vraagt ze mij of ik met haar mee wil naar het ziekenhuis. Er is een uitslag van een test, en de specialist gaat haar die vertellen. Ze is er zenuwachtig voor. Wachten in een wachtkamer op een specialist die je een uitslag komt vertellen is erger dan de uitslag zelf, vindt ze. De stoelen zijn weliswaar lelijk en van groen plastic, maar toch best comfortabel. Er liggen verse tijdschriften. De mensen van het ziekenhuis zijn aardig. Maar dat maakt allemaal niks uit. Mijn vriendin wil dat hij nu komt, die specialist. Hij komt. Hij is sympathiek, hij lacht, hij zegt dat wij vast naar het einde van de gang kunnen lopen, naar zijn kamer. U weet nog wel waar dat is, toch? Ja, dat weet mijn vriendin nog wel. De kamer is groot, licht en leeg en redelijk prettig. Een goede plant, een mooi schilderijtje. Het jasje van het pak van de specialist hangt over zijn stoel. Het duurt even voordat hij binnen komt en achter zijn bureau gaat zitten. Het is niet goed, zegt hij, maar het kon slechter. Het nieuws waar hij mee komt is 1 centimeter groot. Hij laat het ons zien op het scherm van zijn computer. Mijn vriendin en ik stellen hem vragen en die beantwoordt hij vriendelijk. Ik kijk naar zijn schoenen, Italiaans, prachtig roodbruin leer. Ik kijk naar mijn vriendin. Haar ogen zijn groot, haar armen dun. Ze krijgt pillen en moet vervolgafspraken maken. Hij wil haar alles op papier meegeven, maar de printer weigert. Dat los ik even op, zegt de specialist. We lopen alvast terug naar de wachtkamer, gaan daar nog even zitten. Na een minuut of tien verschijnt de specialist weer, lichte grijns op zijn gezicht. Met een beetje geluk zijn die apparaten meestal wel weer te fixen, zegt hij. We krijgen papieren en pillen en dan kunnen we weg. Als mijn vriendin opstaat en de specialist bedankt, lacht ze. Maar alleen met haar mond. De volgende dag is het pas echt goed tot haar doorgedrongen, vertelt ze aan mij en mijn lief. We hebben wat boodschappen voor haar gedaan. Mijn lief repareert haar printer. Toeval of niet, die was ook stuk. Maar met een beetje geluk zijn die apparaten meestal wel weer te fixen.

zaterdag 20 augustus 2011

Kunstmest

Ik had dit stukje al eerder willen schrijven, maar tussen plan en uitvoering staat vaak van alles in de weg: boodschappen, telefoontjes, de krant, vrienden, dingen waar ik geld mee verdien, verjaardagen waar ik niet omheen kan en dan moet ook de poes nog ingeënt, de stofzuiger gerepareerd en de auto naar de garage. En ik wil nog in bad. Zo gaat dat. Dat wil zeggen, zo gaat dat bij mij. Er zijn ook mensen bij wie dat anders gaat. Die maken een plan, en voeren dat vervolgens minutieus en tot op het laatste detail uit. En ze laten zich door niets of niemand afleiden. Dat dat ook gevaarlijk kan zijn, bewees Anders Breyvik met zijn kunstmestbom in Oslo en een handvol geweren op Utoya. Even een paar kleine stappen terug in de tijd. Toen Geert Wilders in de finale van het hilarische spelprogramma ‘Ik hou van Moskowitz’ werd vrijgesproken van haat zaaien, twitterde hij heel blij en met hoofdletters: ‘VRIJGESPROKEN!’ De volgende dag, waarschijnlijk nog licht in het hoofd van een nacht overwinningsslempen met Bram, kakelde hij met veel branie over de grondwet. Daar kon best een artikeltje uit. Hoezo was haat zaaien überhaupt strafbaar? Da’s een schande voor het vrije woord! Schrappen dat artikel! Hij zei er nog bij dat het artikel over aanzetten tot geweld wat hem betreft mocht blijven. Geweld is immers iets anders dan haat. Dat vond ik fideel. En terecht natuurlijk. Ik zeg: als we toch aan de gang gaan met die grondwet, laten we dan gelijk ook even onze verkeersregels onder de loep nemen. Hoezo mag je niet harder dan 50 in de bebouwde kom? Belachelijk! Een schandelijke, en vooral linkse-geitenwollensokken- milieu activistische-veganistische inperking van onze vrijheid van handelen! Net als die regels over drank in het verkeer. Dat is je reinste islamisering!! Ze proberen gewoon de sharia in te voeren, via Veilig Verkeer Nederland godbetert! Allemaal afschaffen, die fucking regels. We trekken de grens bij aanzetten tot aanrijdingen en ongelukken. Dat is heel wat anders dan met je bezopen kop 120 km per uur over een woonerf scheuren, namelijk. Tot zover het doorredeneren volgens de ijzeren logica van onze enige echte premier. Anders Breyvik is fan van hem, zo weten wij uit zijn manifest. Geert zelf vindt dat natuurlijk apert vreselijk en wil in de verste verte niet met deze eenzame gek worden geassocieerd. Nee. Maar ik wil weten of hij misschien een heel klein ietsiepietsie beetje heeft wakker gelegen in de nacht na het drama in Noorwegen. Of hij zich nog eens achter de oren heeft gekrabd over zijn eigen stupide uitspraken. In het manifest wordt volop haat gezaaid, had hij niet zelf gezegd dat dat gewoon moet kunnen? En zou hij zich dan hebben gerealiseerd dat er, in een wereld waar je onbelemmerd door de bebouwde kom mag racen, vroeg of laat een gek komt die expres extra gas geeft en een klas kinderen omver rijdt? Ik vrees van niet. Geert heeft waarschijnlijk zijn blonde haar in zijn oren gestopt en is gaan pitten. Maar met zijn getwitterde oneliners is het precies zoals met kunstmest. Er hangt een nare, onaangename lucht omheen en in combinatie met een explosieve geest kunnen ze levensgevaarlijk zijn. U dient zich te bezinnen, enige echte premier.

Debet

Nou trekken de Finnen ze ook nog het vel over de oren. OK, OK, ze hebben er ook een zootje van gemaakt, maar jeetje. Lesbos en Zakinthos als onderpand, is dat nou echt nodig? Onze regering vond het eerst eigenlijk ook niet kunnen, maar toen zei onze echte premier (die met dat rare haar): wacht eens even, als die Finnen dat voor zichzelf kunnen regelen, kunnen wij dan ook niet...? Wij moeten er toch minstens de Acropolis uit kunnen slepen, of een paar Metaxa fabrieken, of de rechten op het volledige oeuvre van Nana Mouskouri en Demis Rousos? Jan-Kees, op het vliegtuig, en onderhandelen jij! Als ik de Grieken was, zou ik er zo langzamerhand wel klaar mee zijn. Alsof wij de enigen zijn zeg! Moet je die Amerikanen zien! Die lenen toch ook bakken met geld? En moeten ze dan straks het Vrijheidsbeeld inleveren? Of de Grand Canyon? Als ik de Grieken was, zou ik gewoon rekeningen gaan sturen. Nu direct. Voor alles wat die zogenaamd ordentelijke euro-landen al duizenden jaren van ons lenen. Gratis. Nee, ik heb het niet over geld. Ik heb het over woorden. Woorden ja. Mits goed gebruikt en vaak genoeg herhaald, kun je met woorden minstens zoveel bereiken als met geld. Onze echte premier, die met dat haar, weet daar alles van. Woorden hebben impact, en dus waarde. Chaos. Europa. Economie. Tragedie. Democratie. Komedie. Hyper. Crisis. Astronomisch. Politiek. Wat dachten jullie ervan, Europese leiders? Die woorden zijn allemaal Grieks! Van ons dus! Jullie gebruiken ze, en hup, daar gaan de geldmarkt en de beurzen! Moet je kijken wat je er allemaal mee kan, met die woorden van ons. En ook met die van de voorvaderen van de Italianen, overigens. Debet. Credit. Ratio. Mondiale toestanden (toestanden is overigens denk ik gewoon Nederlands). En we hebben er nooit een cent voor gevraagd. Aan niemand. Ook niet aan de Finnen. Dat gaat dus nu veranderen. Ik zeg, duizend euro voor elke keer dat er een woord van ons wordt gebruikt. Met terugwerkende kracht. En dan zijn we nog schappelijk. Stelletje profiteurs. Dat is Latijn, trouwens.

40-30

Het jongetje heet Boris. Hij is blond en spichtig en een jaar of zes. Samen met zijn vader en moeder woont hij deze week naast ons. We zitten ergens onder Arezzo in een agriturismo: een roestkleurige boerderij, verdeeld in kleine appartementjes, met een oprijlaantje met cipressen en een erf met heerlijk knersend grind en grote terracotta potten met oleander en zwaluwen die ’s ochtends vroeg water komen snoepen uit het zwembad. De vader van Boris is een late veertiger. Hij heeft een late veertigers-buik en laat veertigers haar: kalend van voren, en alles wat er nog is naar achteren gekamd, hip lang in de nek. Zijn moeder schat ik een stuk jonger, ergens begin dertig. Zij is heel lang en heel dun en heel blond. Dat het jongetje Boris heet, weet ik omdat zijn naam veelvuldig wordt genoemd, vooral in combinatie met het woord ‘nee’, of een variatie daar op. Nee, Boris. Boris, nee! Boris, niet doen. Nu even luisteren, Boris. Wat heeft mama nu net gezegd Boris? Papa is nu even met zijn telefoon bezig. Papa moet even facebooken, Boris. Boris, Boris. Kijk mama eens aan, Boris. Dat hebben we niet afgesproken, Boris! Jij zou nu even heel lief gaan spelen! Als we bij het zwembad zitten, is Boris daar ook. Hij zet een boot van lego in elkaar. Hij zwemt niet. Dat wil hij wel, maar dan het liefst met papa. Maar die wil niet. Papa leest een boek, Boris. Of hij praat met mama, over dat boek bijvoorbeeld. Ik vind het toch wel een verdomd goed verhaal hoor, zegt hij. O ja, schatje?, zegt zij. Ja, weet je, de oprechtheid van die vent, en wat ie dan schrijft over echt commitment tonen he, naar zo’n bedrijf toe. Klasse, vind ik dat. Boris wil weten hoe het boek heet. Maar papa en mama zijn nu even aan het praten, Boris. Ga maar zwemmen. Daar liggen je bandjes. Maar ik wil met jullie zwemmen. Nee Boris, wij zijn nu even bezig. Ben je nou een grote jongen of niet? Boris denkt even na en lacht dan een beetje. Kijk jongens, zien jullie mij? Zien jullie hoe ik lach? (dat zegt hij echt). En nou is het afgelopen Boris! Ik weet het, het is niet eerlijk. Als je van een afstandje kijkt naar een gemiddeld gezin op vakantie, dan valt er altijd wel wat te tenenkrommen. Maar dit...ik weet niet. Ik hoor ‘Boris, nee!’, en ik denk dingen als ‘tweede leg’, en dat zij toen hij eindelijk was gescheiden met alle geweld een kind wou, dat hij haar dat toen grootmoedig heeft gegeven, en dat ze nou allebei eigenlijk niet precies weten wat ze er de hele tijd mee aan moeten, wat een gedoe zeg, zo’n kind, je kunt godsamme niet eens even rustig facebooken. Maar ja. Dat zijn natuurlijk allemaal aannames mijnerzijds. Doe even normaal, spreek ik mezelf vermanend toe, zittend op het bankje voor ons appartement, nippend aan een cappuccino. Vanaf dat bankje hebben wij zicht op de tennisbaan. En vandaag willen papa en mama tennissen. We horen het geplop van ballen tegen rackets en we zien Boris op zijn knietjes onder de umpire stoel zitten. Kijk Boris, knap he! Vlak over het net! Boris vraagt wanneer ze klaar zijn. Dat duurt nog wel even. Het is 40-30 in de eerste game van de allereerste set. Papa serveert.

donderdag 14 juli 2011

Een taart of een stammetje

Bij ons in de buurt zit de firma De Kroon, een buurtsuper van het allermooiste soort. Opgericht door de oude meneer De Kroon in 1958. Dat jaartal staat op ieder bonnetje, direct onder het logo met een kroon en twee vlaggen. Inmiddels heeft de jonge De Kroon de zaak overgenomen. Buiten, bij de deur, hangen twee grote portretfoto’s achter glas. De ene zwart wit: De Kroon senior als jongeman, met vrouw en kind, poserend voor een schap met zuivel. De andere bijna identiek, maar dan in kleur: zijn zoon, ook met vrouw en kind, voor hetzelfde schap. Bij De Kroon zijn geen karretjes waar 50 cent in moet, of een eigen supermarktmunt die je bij het Servicepunt kunt krijgen. Er is geen Servicepunt bij De Kroon. En er zijn ook bijna geen karretjes, behalve een paar hele krakkemige exemplaren die eigenlijk nooit door iemand worden gebruikt. Bij De Kroon pak je gewoon een mandje. Dat mandje is niet van plastic, maar van metaal, met een verweerd stukje rood plastic om het handvat. Daar loop je dan mee door het ene winkelpaadje dat de buurtsuper rijk is, en dat na vier bochtjes via de koeling en de vleeswaren weer bij de kassa uitkomt. Eén kassa is er, met een zelfgeschilderd houten balkje wat je achter je boodschappen kunt leggen om de grens tussen jou en de volgende klant te markeren. Bij De Kroon hoef je je groenten en fruit niet zelf te wegen en in een zakje te doen. Als je sla en courgettes wilt, dan komt er iemand en die pakt ze voor je, doet er een prijsje op en vraagt dan: ‘anders nog iets voor u?’. Op de bonnetjes van De Kroon staat, behalve dat jaartal, elke dag een nieuwe spreuk of hartenkreet, vaak iets stichtelijks of een verwijzing naar de actualiteit. ‘Waar je teveel van hebt kun je best wat van missen’. Of: ‘van ons mag Maxima minimaal koningin worden!’. Ik weet niet wie ze verzint, misschien wel de oude meneer De Kroon en zijn vrouw, gezellig aan de keukentafel, in het woonhuis naast de winkel. Bij De Kroon kun je geen dierenplaatjes sparen. Er is ook nooit een voetbalactie of iets met smurfen, sprookjesfiguren of Pokémon kaarten. Maar De Kroon heeft wel degelijk acties. Een paar jaar geleden bijvoorbeeld, toen ze hun vijftigste verjaardag vierden. Toen kon je als klant een gratis feesttaart afhalen, waarbij er keuze was tussen een stammetje voor vijf personen of een grote taart. Ze noteerden je naam in een boekje bij de kassa, en in de feestweek lag je traktatie klaar bij de groenten. De firma De Kroon had een uitbundige toren gebouwd van komkommers, tomaten en prei, en daar lagen ze omheen, de taarten en de stammetjes. Als je wilde kon je ook naar de dankdienst in de kerk en dan na afloop een Utrechtse sprits eten. De Kroon is weergaloos. De Kroon moet blijven. Niet dat ze weggaan, maar ik zie de bui toch hangen, vroeg of laat. Afblijven, mega-retailers, projectontwikkelaars, schaalvergroters! De Kroon is van ons. Waar je te weinig van hebt, daar kun je niets van missen. Zeg ik altijd maar.