In Japan zijn ze 230.000 bejaarden kwijt. Zoek zijn ze, die bejaarden. Verdwenen. Foetsie. Ze kwamen er achter nadat ontdekt was dat de man die als oudste bewoner van Tokio te boek stond, eigenlijk al dertig jaar geleden was overleden. ‘Zijn familie had zijn lichaam achtergehouden om zijn pensioen te blijven innen. Het bedrog kwam uit toen de stad de man op zijn 111e verjaardag wilde feliciteren’. Aldus de NOS. Intrigerend.
‘Goedemorgen, wij zijn van de gemeente Tokio. We komen een bloemetje brengen’.
‘Eh…een bloemetje? Voor wie?’
‘Voor meneer Fujimori. We hebben ook taart bij ons. Voor zijn 111e verjaardag. Mogen we even binnen komen?”
‘Eh…nou, dat is een beetje..lastig. Meneer Fujimori, die eh….die slaapt’.
‘Ach, wat jammer. Mogen we dan later even terugkomen?’
‘Nee’.
‘….?’
‘Meneer Fujimori heeft een hekel aan bezoek. Geeft u die bloemen en die taart maar hier, wij zorgen wel dat hij alles krijgt’.
‘O. Juist ja. Maar…’
‘Goedemiddag!’.
Omdat de mensen van gemeente Tokio het toch niet helemaal vertrouwden, zijn ze de boel eens even goed gaan uitzoeken. Toen bleek dat die muffe lucht die ze bij de voordeur al hadden geroken afkomstig was van het ontzielde lichaam van meneer Fujimori (weggemoffeld onder een stapel verschoten kimono’s in een bedompt achterkamertje), hebben ze de regering ook meteen maar even gewaarschuwd. En nu kunnen ze dus in Japan meer dan 230.000 honderdplussers niet terugvinden. Ze denken dat de meesten overleden zijn. Maar van sommigen weten ze het niet zeker. Die zijn echt kwijt. Ik krijg daar een romantisch idee bij. Ik denk dat deze categorie grijsaards op een dag gewoon heeft besloten dat het genoeg was. Dat alsmaar ouder worden, steeds minder leeftijdsgenoten om je heen, getuttel van familie en verpleegsters, en als klap op de vuurpijl ook nog een stelletje opdringerige ambtenaren die je willen feliciteren met je record leeftijd. Getver. Laat me met rust. Ik denk dat ze op een gegeven moment ontsnapt zijn en zich ergens in de bossen terug hebben getrokken, deze oudjes. In kleine groepjes. Daar vermaken ze zich met sudoku’s en het uitwisselen van sushi recepten. Ver van het gedender van de steeds snellere wereld om hen heen, met al die jachtigheid en herrie en toestanden, waar ze steeds minder van verstaan en begrijpen. En als het tijd is om te gaan, nou, dan gaan ze gewoon rustig, en met een glimlach. Zonder gedoe. En dat papierwerk bij de gemeente Tokio, ach, laat maar zitten.
Zo’n ontsnapping zou misschien ook wel iets zijn voor Nederlandse bejaarden. Die worden, zo begreep ik, massaal gepest in verzorgingstehuizen. Door andere bejaarden. Dat zijn waarschijnlijk de bejaarden die gecast zijn voor het hilarische programma ‘Benidorm Bastards’, waarin ze elkaar uitschelden en laten struikelen en met opgevoerde scootmobiels door het Vondelpark racen. Het is dus blijkbaar bashen of gebasht worden, vanaf een bepaalde leeftijd. Maak dat je wegkomt senioren, nu het nog kan!
Affijn. Ik weet heus wel het niks meer is dan een fantasie, honderdplussers die het gewoon zat zijn en ervoor kiezen om buiten het zicht van alles en iedereen lekker hun eigen ding te doen. In de meeste gevallen is het raadsel van de verloren oudjes simpelweg terug te brengen tot ordinaire pensioenfraude. En toch. Het beeld van dat oude Japanse mannetje laat me niet los. Meneer Fujimori. Stel dat hij niet dood is? Maar er gewoon stiekem tussenuit geknepen? Misschien niet eens naar een bos, maar naar een heerlijk luxe vakantieparadijs, duizenden kilometers verderop, waar hij onder een valse naam heeft ingecheckt?
‘Eens even kijken… u blijft hier voor onbepaalde tijd zie ik?’
‘Ja. Zolang als het duurt’
‘Uitstekend. En u wilde ook gebruik maken van onze massage faciliteiten, bubbelbaden en wellness programma’s?’
‘Ja hoor. Kom maar op met de hele bliksemse bende. Maar beslist geen TV op mijn kamer graag. En geen telefoon. En internet hoef ik ook niet’.
‘Komt in orde, meneer Fujimo...’
‘Foetsie. Foetsiemori is de naam’.
‘Komt in orde, meneer Foetsiemori’.
zaterdag 11 september 2010
donderdag 9 september 2010
Habemus papam
Mijn vader is bij de hulpbisschop geweest. Vanwege dat gedoe in Reusel, met prins Carnaval. Gedoe in Reusel? Ja, want prins Carnaval mocht geen hostie van de pastoor. Tijdens de Heilige Mis ter ere van, jawel, carnaval. Die prins is namelijk homo. En homo's, die mogen geen hosties. Althans, niet van de pastoor van Reusel, en ook niet van zijn chefs, en al helemaal niet van de chefs van die chefs. Homo = bah, dus geen communie. En daarmee uit. Amen. Nu vraagt u zich wellicht af waarom mijn vader nu pas naar die hulpbisschop is gestapt. Dat gedoe met die prins, dat is toch al maanden geleden? Klopt. Maar daarna, of ongeveer tegelijk, of eigenlijk al ruim daarvoor, was er nog veel meer gedoe. Over paters en jongetjes. Over nonnen en meisjes. Over gemoedelijke Belgische bisschoppen die dat allemaal het liefst ver onder een heel dik tapijt wilden stoppen. Er was de afgelopen maanden geen houden meer aan. Op een gegeven moment leek het wel alsof zo ongeveer iedereen die ooit op een priesterschool of in een klooster had gezeten was betast, geknepen, aangerand of nog veel erger.
Nu is mijn katholieke vader een aardige, zachte man. Groot fan van harmonie en gezelligheid. Knappe jongen die hem kwaad krijgt. Maar ineens was hij het zat. Want ik, zijn dochter, ben namelijk volgens de in steen gebeitelde regels van de kerk ook niet welkom op de communie. Om dezelfde reden die geldt voor prins Carnaval van Reusel. En na het zoveelste interview met een getroebleerd slachtoffer van een grijpgrage kerkvader brak plotseling de klomp van mijn vader. Het is toch godsamme niet te geloven, zo riep hij uit, dat mijn kind wordt gediscrimineerd door dit stelletje hypocriete engerds! En toen heeft hij gebeld. Met de hulpbisschop. Op een of andere manier had hij via iemand zijn mobiele nummer. Jaja, ook hulpbisschoppen bellen mobiel, met bluetooth en alles, je moet tenslotte met je tijd meegaan. Mijn vader belde dus. Voor een afspraak. Hij wilde verhaal halen en voor mij op bres. Hij wist ook wel dat ik al jaren niet meer naar de kerk ga, dus die communie, ach, ik mis het niet, maar daar ging het niet om. Het ging om het principe, vond mijn vader. Dus op naar de hulpbisschop (in deze context vraag ik me ineens angstvallig af waar zo'n man precies bij helpt, maar dat terzijde). Was het een goed gesprek? Niet echt. Had het zin? Nee. Helaas. Toen mijn vader vertelde dat hij ermee zat, met die opstelling van de kerk, knikte de hulpbisschop begrijpend. Hij kon zich voorstellen dat het ontzettend moeilijk was voor mijn vader, zo'n zondig kind. Dat bedoel ik niet, riposteerde mijn vader. Weer knikte de hulpbisschop begrijpend. Hij kon het zich voorstellen hoor, het viel ook niet mee, zo'n dolend, ongelukkig kind. U begrijpt er niks van, zei mijn vader. ‘Dit kan toch onmogelijk de bedoeling zijn van een kerk, van het geloof?’. De hulpbisschop zuchtte en zweeg. En natuurlijk knikte hij daarna, begrijpend. Hij snapte dat het een worsteling was. Met zo'n kind. Als u wilt, voegde hij er aan toe, wil ik best nog een keer met u en uw vrouw komen praten. Mijn vader heeft zijn aanbod ontgoocheld en toch beleefd afgeslagen (mijn vader is een aardige, zachte man). En toen heeft hij zijn jas gepakt en is weggegaan. Later zei hij dat het misschien ook wel erg naïef was geweest, te hopen op een open gesprek met deze dienaar Gods. Sjonge. Kerkvaders. Wat ben ik blij dat ik, arme zondaar, mijn eigen vader heb...
Nu is mijn katholieke vader een aardige, zachte man. Groot fan van harmonie en gezelligheid. Knappe jongen die hem kwaad krijgt. Maar ineens was hij het zat. Want ik, zijn dochter, ben namelijk volgens de in steen gebeitelde regels van de kerk ook niet welkom op de communie. Om dezelfde reden die geldt voor prins Carnaval van Reusel. En na het zoveelste interview met een getroebleerd slachtoffer van een grijpgrage kerkvader brak plotseling de klomp van mijn vader. Het is toch godsamme niet te geloven, zo riep hij uit, dat mijn kind wordt gediscrimineerd door dit stelletje hypocriete engerds! En toen heeft hij gebeld. Met de hulpbisschop. Op een of andere manier had hij via iemand zijn mobiele nummer. Jaja, ook hulpbisschoppen bellen mobiel, met bluetooth en alles, je moet tenslotte met je tijd meegaan. Mijn vader belde dus. Voor een afspraak. Hij wilde verhaal halen en voor mij op bres. Hij wist ook wel dat ik al jaren niet meer naar de kerk ga, dus die communie, ach, ik mis het niet, maar daar ging het niet om. Het ging om het principe, vond mijn vader. Dus op naar de hulpbisschop (in deze context vraag ik me ineens angstvallig af waar zo'n man precies bij helpt, maar dat terzijde). Was het een goed gesprek? Niet echt. Had het zin? Nee. Helaas. Toen mijn vader vertelde dat hij ermee zat, met die opstelling van de kerk, knikte de hulpbisschop begrijpend. Hij kon zich voorstellen dat het ontzettend moeilijk was voor mijn vader, zo'n zondig kind. Dat bedoel ik niet, riposteerde mijn vader. Weer knikte de hulpbisschop begrijpend. Hij kon het zich voorstellen hoor, het viel ook niet mee, zo'n dolend, ongelukkig kind. U begrijpt er niks van, zei mijn vader. ‘Dit kan toch onmogelijk de bedoeling zijn van een kerk, van het geloof?’. De hulpbisschop zuchtte en zweeg. En natuurlijk knikte hij daarna, begrijpend. Hij snapte dat het een worsteling was. Met zo'n kind. Als u wilt, voegde hij er aan toe, wil ik best nog een keer met u en uw vrouw komen praten. Mijn vader heeft zijn aanbod ontgoocheld en toch beleefd afgeslagen (mijn vader is een aardige, zachte man). En toen heeft hij zijn jas gepakt en is weggegaan. Later zei hij dat het misschien ook wel erg naïef was geweest, te hopen op een open gesprek met deze dienaar Gods. Sjonge. Kerkvaders. Wat ben ik blij dat ik, arme zondaar, mijn eigen vader heb...
Abonneren op:
Posts (Atom)