maandag 19 maart 2012

Ik rode sjaal


We hebben een Rotterdams uitje en we blijven slapen. Bij Svetlana. Gevonden op internet. Vooraf heeft ze ons duidelijk geïnstrueerd: ‘als jij bijna bent, jij bellen, ik dan kom’. Dus als we er bijna zijn (om ons heen louter flats en wegwerkzaamheden) parkeren we in de door Svetlana aangeduide zijstraat en bellen haar. Ik vraag hoe ik haar herken en zij zegt: ‘ik rode sjaal’. Als ze kort daarna in ons blikveld verschijnt zien we behalve die sjaal een lichtblauw bomberjack met daarin een kleine, stevige vrouw van midden vijftig, met een mooi rond gezicht en een geblondeerd pagekapsel. ‘jij achterin, ik voor’, geeft ze mij te verstaan. Werktuiglijk dirigeert ze ons met een genagellakte wijsvinger naar een parkeergarage vlakbij. ‘Hier ingang parkeergarage, hier uitgang voorkant, hier lift’, zegt Svetlana. In die lift staan we dicht op elkaar. Ik zie een laag foundation, blauwe oogschaduw en veel fijne rimpeltjes. ‘Twee prinsessen, heb ik heel mooie kamer voor jullie’, zegt Svetlana. Er breekt iets door haar foundation heen, een glimlach die tegelijk een zucht is. We stappen een galerij op en lopen langs een reeks voordeuren en keukenramen. Vetplantjes, gehaakte gordijntjes, Feyenoord posters. Dan zijn we bij de flat van Svetlana. Ze gaat ons voor over hoogpolig bordeaux-rood tapijt naar de trap (we passeren een kapstok waar ik slofjes zie staan met uitbundig borduursel er op), we lopen naar boven en ze toont ons de kamer. De kamer is Sint Petersburg in al zijn bladgouden, porseleinen, zwaar eikenhouten glorie, inclusief imitatie Fabergé eieren. Het systeemplafond doet daar niks aan af. Bij Svetlana wint de glimlach het even van de zucht. ‘Jullie dansen met de jongens, plezier maken...ach ja…’. Ze laat ons alleen. Wij frissen ons op in een badkamer met bordeaux rood sanitair en lamplicht dat elke 10 seconden van kleur verandert. En dan gaan we onze nacht in. De volgende ochtend treffen we Svetlana voor het ontbijt in de keuken. Ook daar ligt bordeaux rood tapijt, en er hangt een knoeperd van een TV aan de muur. Eva Jinek vult het beeld, samen met Jan Smit en een kamerlid van de PVV. Het geluid staat keihard. Anders dan gisteren praat Svetlana honderduit. Over waar ze vandaan komt (Moskou) en over hoe lang ze al in Nederland woont (25 jaar). Over prins Friso (daar maakt ze zich grote zorgen over, zegt ze met vochtige ogen). Over haar grote liefde Johan, die ze leerde kennen in Rusland en voor wie ze naar Nederland kwam. 'Hij mooie man. Echt mooie man’. Ze laat ons oude foto’s zien. Svetlana met een jong, mooi rond gezicht en rode blossen op haar wangen, dansend met Johan. Johan op een feest. Johan in de keuken. Johan in de sauna. Toen Johan haar liet zitten voor een andere vrouw heeft Svetlana zich een jaar lang bijna te pletter gedronken. Wodka en wijn. Hele dagen lag ze op de bank te huilen, zegt ze. Maar dat is nu allemaal voorbij. 'Ik alleen en pension’. Ze frutselt wat aan haar ochtendjas met panterprint. Wij vertrekken. ‘Jullie mooie vrouwen. Jullie komen terug?’, vraagt Svetlana. Wij zeggen van ja en we bedanken haar. Zachtjes trekken we de deur achter ons dicht en lopen de galerij op. Het geluid van Eva Jinek sterft langzaam weg.

zondag 29 januari 2012

Touwtje

In de garage van mijn ouders hangen tennisballen aan een touwtje. Twee stuks om precies te zijn, voor elke auto één. De garage van mijn ouders is best groot. En in een garage die best groot is, heb je de neiging te ver door te rijden. Althans, mijn ouders hadden die neiging. In de loop ter tijd wisten zowel mijn vader als mijn moeder bij herhaling aanrijdingen te veroorzaken met hun eigen fietsen, stapels oud papier, verfblikken en de hondenmand. Totdat ze dus op het idee kwamen die twee tennisballen op te hangen. Het principe is simpel: zachtjes doorrijden tot je met je voorruit de tennisbal raakt, niet verder, dan gaat ie goed. Ik weet niet precies wie de ballen heeft bevestigd, maar ik denk mijn moeder. Iets ergens bevestigen (en wel zo dat het dan ook langdurig blijft hangen, staan of zitten) is niets voor mijn vader. Ik herinner me een spiegel op de WC, een aanzienlijke hoeveelheid schilderijen en het bagagerek op onze auto (wij noemden dat rek destijds ‘imperiaal’, en dat is tot op de dag van vandaag een gevleugeld woord in onze familie). De spiegel lag na één dag al in duizend stukken op de grond en menig schilderij maakte zich na verloop van tijd ineens spontaan los uit de muur, met medeneming van hele stukken pleisterwerk. En terwijl wij als gezin zojuist de franse grens gepasseerd waren, op weg naar een vrolijke camping in het zuiden, begon de imperiaal - met daarop drie koffers onder een oranje dekzeiltje - langzaam naar voren te schuiven, van het dak af richting de motorkap. Ik weet nog hoe mijn broer en ik vanaf de achterbank het oranje zeil tegen de ruitenwissers zagen klapperen. Je kunt een hoop van mijn vader zeggen. Maar niet dat hij, hoe zal ik het zeggen, nou ja, niet dat hij opvallend goed was in het deugdelijk bevestigen van wat dan ook. Hij worstelde overigens ook met het in elkaar schroeven of het ergens in doen van iets. Als hij zich daar toch aan waagde kon dat leiden tot onthutsende calamiteiten. Zo was er ooit iets met een kerstboom, een grote glazen pot waar die in moest en mijn vader die met een hevig bloedende duim moest worden afgevoerd naar de EHBO. Ja. Zo was dat. Inmiddels staat er nog één auto in de garage bij mijn ouders. Die van mijn moeder, netjes tegen de tennisbal aan. De andere hangt er ook nog, mijn moeder heeft hem niet weggehaald. Als ik de garagedeur open doe, trekt een zuchtje wind aan het touwtje. De tennisbal wiegt een beetje heen en weer. Eenzaam en zachtjes.